Onno (3,5 jr), Rik (1,5 jr). Mama, papa. Restaurant in Breda.
De jongste zoon kan wel wat oefening gebruiken in het aanwijzen van ledematen, benoemen van organen en uitbeelden van zintuigen. Het eten staat toch nog niet op tafel.
‘Rik, waar is je neus?’ vraagt Pim.
Met het antwoord scoort hij altijd, want sinds geruime tijd duwt hij vol overgave op zijn neusvleugels. De neus tussen duim en wijsvinger tot je het snot hoort smakken. Hij lacht.
‘Waar is je mond, Rik?’
Rik opent zijn mond en wijst tot in zijn keelgat. Weer een punt verdiend.
‘En je ogen, Rik, waar zijn die?’
Opnieuw knijpt Rik in zijn eigen neus. Pim kijkt me meewarig aan. Komt dit goed?
‘Je hoofdje, Rik? Waar is je hoofdje?’
Zijn hand in knijptang-greep helt Rik over de rand van de kinderstoel op weg naar Pims neus in de hoop daar het correcte antwoord te vinden.
Pim zucht.
Andere tafelaars lachen vertederd naar Rik. Een ober aait bij het langskomen over zijn bol.
‘Waar zijn je ogen? Rik?’ probeert Pim nog een keer.
Onno, die de hele tafereeltje geruisloos ondergaat tast in zijn broekzak. Hij zoekt iets dat hij van zijn schoolvriendje Seppe heeft gekregen en roept dan door het restaurant:
‘En waar is mijn eikel?’