Er is er is
Een muizenis
Er is
Helaas
Geen stukje kaas.
Pim heeft net gemaaid. Het was geen makkelijke klus geweest om het roestige lapje opnieuw gezond groen te maken.
Vanuit de keuken roep ik hem verrukt toe: ‘Hé Pim, we hebben eindelijk weer een gazonnetje hé. Alleen nog hier en daar wat werk aan.’
‘Ja, ‘ roept hij terug met een stemvolume dat ik niet van hem gewend ben en dat vast tot op het terras van de buren reikt, ‘maar mijn zaad is op.’
Je belandt maar weer eens in een bistro, eentje die je nog niet hebt bezocht. Want de oudste zoon (5) drong zo aan. Hij doet dat graag, op restaurant gaan. Of er ook een speeltuin is, wil hij weten als we al geparkeerd zijn op de kiezels voor het rustieke pand. Als duidelijk wordt dat er geen speeltuigen zijn en als het uitzicht op de tuin-met-vijver-met-japanse-kois-weet-je-wel-hoe-duur-die-zijn begint te vervelen moet je iets anders bedenken. De tomatensoep kan de ondraaglijke saaiheid van het resto-bezoek even verdrijven, maar dan moet er iets anders komen.
‘Ok, raden jullie maar wie ik ben,’ begint de moeder. Ze heeft geluk want ze krijgt meteen de volle aandacht.
Op de wijze van grootmoeder spreekt de moeder een zinnetje uit. ‘Doeduw zokken izaan’. Helaas gokt de oudste zoon dat ze een lid van de Familie Backeljau imiteert, ‘die van in die supermarkt van verf enzo’. De bomma. Fair enough.
De moeder gaat over tot het meer eenvoudige werk. Er staat immers nog een plat américain voor haar neus. (Een bewuste keuze. Het wordt niet koud).
Een olifant, een aap, een trein, een konijn, een wolf.
Een vogel? Nee, geen vogel? Wél een vogel! Moeten wij raden wélke vogel, mama? Maar nee! kijk eens naar mijn armen, ik beweeg die toch niet? Ah ja, een vliegtuig!
De moeder waakt erover dat de gisdecibels binnen de perken blijven. Het is kiezen tussen kinderen die tussen de benen van ijverige obers flitsen en wat ongeoorloofde animo aan tafel. De kunst is: zet het spel in gang en laat de kinderen het overnemen.
‘Doe eens een uil na, Rik.’
‘Tsiep tsjiep tsjiep.’ De jongere broer (3) fladdert er zelfverzekerd bij.
De moeder schudt nog wat frieten op haar bord.
De vijfjarige zoon zit een moment roerloos, knippert nauwelijks met zijn ogen. Of de houding van zijn armen bij de opdracht hoort is niet helemaal duidelijk.
‘Weten jullie het?’ De woorden ontsnappen tussen zijn lippen alsof het weerspannige gevangenen zijn.
De moeder haalt haar schouders op. De vader zet een vragende blik op -een gezichtsuitdrukking die de gezinsleden het meest vertrouwd is- en dan onthult de zoon enigszins ontgoocheld zijn mimespel:
‘Een aardbei, ik was een aardbei.’
Het zat hoog. Heel hoog. Jeanne vond dat ze het er niet bij moesten laten. Karel (doopnaam Carolus) vond het ook. Maar konden ze hun kruistocht niet aanvatten
op een andere dag? Hij was net goed opgeschoten met zijn kruiswoordraadsel.
‘Wrevel. Wrevels,’ mompelde hij.
‘Wat zegt ge?’ riep Jeanne door het keukengat.
‘Wrevel,’ herhaalde hij weer, ‘maar dat kan niet, want het eindigt op ‘en’. Acht, negen, tien letters en e-n’ op het eind, da’s alles wat ik heb. ‘E-n’ da’s een meervoud of een werkwoord.’
‘Ongenoegen,’ zei Jeanne wat bars. Met zijn balpen telde Karel de vakjes. Nauwkeurig maar met vederlichte druk vulde hij de letters in om ze nadien met een wat beverige hand vet te overtrekken. ‘Als ik u niet had,’ zei hij liefdevol.
‘Gaan we dan nu? Dan zijn we er vanaf,’ drong Jeanne aan.
Ingegeven door een vlaag van vergeten verliefdheid gooide hij de krant de lucht in, duwde hij zichzelf zo goed en zo kwaad het kon gezwind de oude lederen fauteuil uit
en gaf hij Jeanne een pets op haar achterwerk.
‘Auw!’ speelde Jeanne en ze knipperde met haar ogen. ‘Doe uw zomerfrak maar aan, Karel,’ gebood ze, ‘het kan daar warm zijn. Die lampen staan daar altijd zo fel.’
Terwijl Jeanne haar verse permanent schikte voor de spiegel in de gang , liet Karel weten dat hij zijn jas niet vond.
‘Naast die lichtblauwe van mij. Die lange. En ge hebt uw schoenen ook nog niet aan, zie ik. Komaan, Karel, maakt wat voort.’
Even later stonden ze op de stoep. Hun harten begonnen in gelijke kadans te slaan. Ze spraken niet. Daar waren ze te nerveus voor. Bij elke stap voelde Karel zijn
benen zwaarder worden. Hij vroeg zich af of zijn leeftijd daar voor iets tussenzat of eerder zijn tanende stoutmoedigheid. Hij zou zijn Jeanne wel bijstaan,
dat stond buiten kijf.
Om wat tijd en moed te verzamelen deden ze eerst hun rondgang langs glimmende kandelaren, felgekleurde paraplu’s, rubberen ovenwanten en een stapel afgeprijsde wc-matjes.
‘Past toch op,’ siste Jeanne. ‘Dat lag bijkans tegen de grond.’ Ze kon het trillen van haar hand niet bedwingen toen ze de bekers met het opschrift ‘mijn oma is de leukste’ en ‘mijn oma aan de top, dit is haar kop’ op een veiliger plaatsje schoof. Ze had toch graag kleinkinderen gehad, bedacht ze nog maar eens.
Karel had al gevonden wat ze zochten. ‘Was het nu deze maat of deze?’
‘Die,’ zei Jeanne zonder aarzelen.
‘Zeker?’ vroeg Karel.
Jeanne wierp hem een blik toe die Karel herkende als een teken om niet verder aan zijn vrouw te twijfelen.
Met zijn tweeën bleven ze een tijdlang naar de matzwarte thermos kijken. Ze paste perfect in Karels handgreep. Zonde toch.
Alsof Jeanne hun pasgeboren kleinkind in de arm hield liepen ze met de kan naar de kassa. Jeanne hapte naar adem. Een nanoseconde wierp ze een oog op Karel die
haar met een bijna onzichtbaar hoofdknikje liet weten dat hij wel geloofde dat het goed kwam.
‘Wel,’ begon Jeanne, ‘wij hebben hier vorige week zo’n thermos gekocht. Niet deze dus, maar dezelfde. Deze hier hebben we juist uit het rek gepakt om u te laten zien welke we dus gekocht hadden.’
‘Ja?’ De kassierster had niet veel zin in het vervolg van het spannende verhaal.
‘En wij hebben dus vastgesteld,’ vervolgde Jeanne met iets meer verbetenheid, ‘dat ze niet warm houdt.’
‘Dat ze niet warm houdt’ herhaalde de kassierster monotoon.
Jeanne keek met lichte wanhoop naar Karel, die zijn echtgenote bijviel. ‘Het is wel een thermos hé, madam. Een nieuwe. Vorige week nog maar gekocht. Hier. In deze winkel.’
‘En wat is uw vraag nu eigenlijk?’ De kassierster was getraind op volharding in gebrek aan belangstelling.
Karel wilde wel het vervolg inzetten, maar hij wist niet hoe. Na een korte pauze hervatte Jeanne: ‘Wel, we hebben die thermos gekocht en we hebben direct gemerkt dat onze koffie niet warm bleef. Thee ook niet trouwens. Niks eigenlijk.’
Karel, ingenieur op rust, keek naar de punten van zijn schoenen. Zoveel informatie leek hem niet nodig. Maar goed, een vrouw had blijkbaar altijd meer woorden nodig. Zeker die van hem.
‘Maar u hebt die thermos dus al gebruikt?’ stelde de winkelbediende vast.
‘Ah ja,’ zeiden Karel en Jeanne op hetzelfde ogenblik, ‘anders hadden we niet geweten dat ze niet goed marcheerde, hé madam.’ Ze lachten zwakjes.
De kassierster klaarde op. ‘Aha!,’ stelde ze vast, ‘maar als jullie ze al gebruikt hebben kan ik ze natuurlijk niet ook niet meer terugnemen.’ Alsof die reden nog niet helemaal volstond voegde ze er nog aan toe: ‘Ik heb die thermos trouwens al zot verkocht en er is nog niemand over komen klagen.’
Jeanne was vastbesloten om niet zonder compensatie de winkel te verlaten. ‘Een thermos moet warm houden. Deze houdt niet warm. Misschien zijn er andere mensen die hun koffie graag lauw drinken, maar wij niet. Wij willen hem heet. Van alle thermossen die wij al gehad hebben is dit de slechtste. Wij hebben nog vanzeleven niet één thermos gehad die zo slecht warm hield. Hé Karel,’t is toch juist wat ik zeg of niet?’
Karel knikte plechtig.
Verveeld begon de kassierster naar de wachtende klanten te kijken. ‘Ik moet die andere mensen helpen,‘ zei ze plichtsbewust, ‘ik kan echt geen goederen terugnemen die al in gebruik zijn genomen. Als ge nu nog zoudt zeggen dat ge er alleen warm water in hebt gedaan. Ge moet dat altijd eerst testen met water hé.’
‘Dat hebben ze ons niet gezegd. Karel,hebben ze ons dat gezegd. Er is van geen water gesproken. Nee toch hé?’
Wilt ge dan deze kopen en nog eens proberen?’ ging de winkeljuf ongeduldig verder.
‘Ah nee,’ zei Jeanne, die niet van plan was om zich een tweede keer te laten naaien door deze retailer, en tot Karel: ‘Kom, we zetten die terug.’
Met tegenzin sloften ze weer naar buiten. Jeanne liep met gebogen hoofd.
‘Komaan,’ zei Karel, ‘ we hebben het toch geprobeerd hé. Ge hebt dat goed gezegd, Jeanne.’
‘Goed gezegd, goed gezegd,’ bromde Jeanne verder, ‘maar vanavond is het weer kouwe koffie.’
‘Weet ge wat,’ zei Karel, ‘ we gaan er ene drinken. Op het terras van De Drei Konijntjes. Da’s lang geleden.’
‘Ja,’ zei Jeanne, ‘da’s lang geleden.’ Ze hield de pas in. ‘Malicieus,’ zei ze, ‘’t is malicieus!’
‘Stopt er nu maar over, Jeanne, er zijn nog thermossen in de wereld. En naar die winkel hoeven we ook niet meer te gaan.’
‘Néé,’ zei Jeanne nadrukkelijk, ‘dat woord dat ge daarstraks nog zocht, met die ‘c’ in, voor ‘kwaadwillig’. ’t Is ‘malicieus.’’
‘Mama, ik heb Jezus gezien!’‘
Onno (toen 4 jr 5 mnd) spotte een stenen beeld in een nis van een gebouw waar we met de auto voorbijreden.
‘Mama, wanneer was Jezus levend?’
Ik had toen een levendige discussie kunnen inzetten over de Jezus van alledag, alive-and-kicking in al het goede dat we doen, aanwezig in elk warmhartige ziel, maar ik was er nogal zeker van dat dat niet het antwoord was dat hij verwachtte. Bovendien had ik er een drukke werkdag opzitten en hield ik het op ‘dat is héél lang geleden hoor.’ En om het concept ‘lang geleden’ kracht bij te zetten voegde ik eraan toe dat er toen nog geen televisie was.
Onno veerde op uit zijn autostoel. ‘Mama!’ begon hij verschrikt, ‘heeft Jezus dan nooit naar de televisie kunnen kijken?’
Ja, die Jezus had een echt hondenleven geleid, dat was wel duidelijk.
Omdat ik even niets beters kon verzinnen wilde ik toegevoegd hebben dat er ook nog geen auto’s waren in Jezus’ tijd.
Dat maakte niet tot mijn verbazing niet zoveel indruk.
‘Ja mama, dat wist ik wel, hoor. Maar er waren toen zeker wel oldtimers?’
Opgeslagen onder Onno & The Quotes
‘Neuke! Neuke!’
Zo loopt de jongste zoon (2 jr 8 mnd) de hele dag door het huis, steeds met enige urgentie op zoek naar een zakdoek.
Opgeslagen onder Rik's tricks
De moeder fluistert in zijn linkeroor: ‘Ik ga nog een keer zeggen hoeveel ik van je hou. Mag dat? Of vind je het vervelend als ik het zo vaak zeg.’
De zoon (4 jr 10 mnd) legt een hand op de schouder van de moeder en zegt zacht: ‘Ik vind dat ambetant, mama, maar het is wel lief.’
Opgeslagen onder Moederliefde, Onno & The Quotes
Vermits Onno (4 jr 7 mnd) vele uurtjes spendeert in het leerzame gezelschap van zijn liefhebbende bomma valt het niet zelden voor dat wij een briefing krijgen over wat hij nog geleerd heeft (en wat ons gezien onze métro-boulot-dodo ontgaan moet zijn).
Zo deelde zij ons vorige week mee:
‘Onno kan nu al zélf zijn poep afvegen nadat hij kaka heeft gedaan. Daar moet ik niet meer tussenkomen.’
Opgeslagen onder Alledag, Anekdotes, Opvoederen
Onno (4 jr 7 mnd)
‘Mama, gaan wij zwemmen als het nog eens een klein weekendje is?’
‘Een klein weekendje?’
‘Ja, als het zo maar een halve dag school is.’
Opgeslagen onder Onno & The Quotes
Tijdens het autorijden leg ik aan Onno (4 jr 3 mnd) vaak mijn maneuvers uit. Dat is volledig uit eigenbelang. Het uitgangspunt is het gebrek aan genetische aanleg om in zo’n examen te slagen binnen een betaalbaar aantal pogingen.
Nog even en Onno kan met zijn voeten aan de pedalen. En de parking van de Colruyt is groot.
Soms moet de radio uit: hij hoort anders niet dat ik de richtingaanwijzer gebruik.
Zo’n gesprek in het verkeer gaat bijvoorbeeld als volgt:
‘(…) En dan kijk ik over in mijn spiegel rechts of daar geen fietser aan komt, want die mag ik natuurlijk niet omverrijden.’
‘En de stappers mag jij ook niet omverrijden, hé mama.’
‘Nee, de voetgangers ook niet.’
‘En de stappers ook niet.’
‘Voetgangers moet je zeggen, Onno.’
‘Waarom?’
‘Een voetganger is iemand die te voet over de straat stapt.’
‘Ja, stapt. Dat heb ik toch gezegd. Iemand die stapt is dan toch een stapper?’
‘Ja, dat zou je wel kunnen zeggen, maar het is niet juist in onze taal. Wij moeten ‘voetganger’ zeggen tegen een ‘stapper’.
(Ondertussen heb ik bijna zo’n stapper tegen mijn zijflank natuurlijk.)
‘Te voet gaan en stappen is dan toch hetzelfde, zeg. Ik zeg ‘stappers’! Maar als jij wilt mag jij voetgangers zeggen, hoor.’
Opgeslagen onder Onno & The Quotes