1 november 2009

Mien, waar is mijn feestneus?

Onno (3,5 jr), Rik (1,5 jr). Mama, papa. Restaurant in Breda.

De jongste zoon kan wel wat oefening gebruiken in het aanwijzen van ledematen, benoemen van organen en uitbeelden van zintuigen. Het eten staat toch nog niet op tafel.

‘Rik, waar is je neus?’ vraagt Pim.

Met het antwoord scoort hij altijd, want sinds geruime tijd duwt hij vol overgave op zijn neusvleugels. De neus tussen duim en wijsvinger tot je het snot hoort smakken. Hij lacht.

‘Waar is je mond, Rik?’

Rik opent zijn mond en wijst tot in zijn keelgat. Weer een punt verdiend.

‘En je ogen, Rik, waar zijn die?’

Opnieuw knijpt Rik in zijn eigen neus. Pim kijkt me meewarig aan. Komt dit goed?

‘Je hoofdje, Rik? Waar is je hoofdje?’

Zijn hand in knijptang-greep helt Rik over de rand van de kinderstoel op weg naar Pims neus in de hoop daar het correcte antwoord te vinden.

Pim zucht.

Andere tafelaars lachen vertederd naar Rik. Een ober aait bij het langskomen over zijn bol.

‘Waar zijn je ogen? Rik?’ probeert Pim nog een keer.

Onno, die de hele tafereeltje geruisloos ondergaat tast in zijn broekzak. Hij zoekt iets dat hij van zijn schoolvriendje Seppe heeft gekregen en roept dan door het restaurant:

‘En waar is mijn eikel?’ 

 

16 oktober 2009

Wind (of iets in die richting)

Mama, van waar komt de wind?

Euh…

De wind, van waar komt die?

Van dààr!

Nee! Hoe komt dat er die wind is?

Ik heb je vraag wel begrepen, maar ik weet het niet zo goed… Of ja, wel: het zijn de wolken die blazen!

 Onno (3,5 jr) kijkt heel bedenkelijk en schudt dan zijn hoofd.

 Ik weet het wel. Denk het komt van al die ven-ti-la-tors in de huizen!

12 oktober 2009

Carpe diem

Onno (3,5 jr) wrijft zich de ogen uit wanneer ik hem wek.

‘Mama?’ klinkt het een beetje schor, ‘is het vandaag weer een nieuwe, leuke dag?’

9 oktober 2009

Stinky business

…en is Jeremy ook jouw vriend?’

‘Nee, want die stinkt!’

‘Allez Onno, dat mag je niet zeggen.’

‘Wél, want ik heb dat al zelf geruikt hoor!’

‘Ok, maar je mag dat niet tegen hem zeggen. Dat is kwetsend.’

‘Wat betekent kwetsend?’

‘Als je Jeremy kwetst betekent dat dat je hem pijn doet aan zijn hartje.’

(Ongelovig) ‘Heeft Jeremy een hartje?’

‘Ja, iedereen die leeft heeft een hartje.’

‘Mama, maar die stinkt écht, hoor.’

‘Ik zeg toch niet dat je beuzelt. Mama staat ook wel eens naast iemand die niet lekker ruikt, maar dan zeg ik dat niet tegen die persoon want dat is kwetsend en dan heeft die persoon pijn aan zijn of haar hartje.’

‘Mama, waarom klopt ons hartje. Wie doet dat?’

‘Je hartje klopt zodat je kan lopen, spelen, springen en ook nadenken.’

‘Jamaar, wie doet dat? Wie klopt er bij ons vanbinnen?’

‘Dat is ons bloed.’

‘Ons bloehoed?’

‘Ja, ons hartje pompt het bloed telkens op en daardoor kan je vanalles doen. Daardoor kan je leven. Als je niet meer leeft, dan klopt je hartje ook niet meer. Dan ben je dood.’

‘Zoals bompa?’

‘Zoals bompa, ja.’

‘Ik wil dat eens zien hoe een hartje klopt.’

‘Bedoel je op youtube? Ik zal eens zoeken, zie.’

Daar vind ik een kunsthart dat pompt, gewoon op een witte tafel. Geen mens te zien.

(Ontzet) ‘Oh! Wie heeft dat hart eruit getrekt?’

‘Dit is geen écht hart hé, Onno, da’s nagemaakt.’

‘Waarom?’

‘Zodat je kan leren hoe dat pompt.’

‘Ik wil een écht hart zien.’

Even later zaten we gezellig met zijn tweeën naar een openhartoperatie te kijken.

(Opgelucht) ‘Ah, dààr is het bloed!’

1 oktober 2009

Ontbijt op zondag

Onno (3,5 jr) onderzoekt zijn pistolet.

 ‘Wat is er? Eet je hem niet op?’

 ‘Maar… zit daar eigenlijk echt pis in?’

 

1 oktober 2009

Hemels menu

Onno (3,5 jr) heeft op de speelplaats een tamme kastanje gevonden.

‘Deze heeft een puntje. Dan mag je die toch eten, hé?’

‘Ja hoor. Zoek je er nog eentje voor je broer ook?’

De juf wil de speelplaats ontruimd zien. Ze haalt een blinkende kastanje uit haar zak en geeft die aan Onno.

Tot de juf: ‘Dank u.’

Tot mij: ‘Maar we moeten er nog eentje voor papa zoeken en voor jou.’

Buiten het oog van de juf stamp ik twee bolsters fijn. Met vier kastanjes huppelt Onno richting uitgang. Hij houdt weer halt.

‘Mama! Wij moeten er ook eentje voor bomma meenemen.’

De juf heeft het gesprek met een andere moeder beëindigd. Ik wil liever uit het zicht verdwijnen. Bomma kan nog wel een dagje zonder kastanje-dessert. Morgen haalt ze Onno van school. Ik vertel hem dat. ‘Leg dan maar aan bomma uit hoe ze die bolsters moeten opendoen.’

Ziezo. Opgelost.

We wandelen samen de ijzeren poort door. Onno vertraagt weer. Hangt het linkerbandje van zijn rode rugzak recht.

‘Kom je nu? De auto staat daar.’ Ik wijs.

Onno wijst naar de lucht. Zijn arm zover uitgestrekt dat zijn schouder zijn oor voorbijsteekt. ‘Mama, ik ga die kastanje héél hoog gooien want bompa lust dat ook graag.’

22 september 2009

Een worst wezen

Gistermiddag op het menu bij bomma:  hotdogs. Ligt er nog één worstje in de schaal te dampen en spreekt Onno (3,5 jr) tot dat overgebleven worstje: ‘Jij bent zeker verdrietig omdat ik jouw vriendje aan het opeten ben?’

15 september 2009

Fusion

‘Wat gaan wij vanavond eten, mama?’

‘Vanavond maak ik artisjokken klaar.’

‘Ja! Ja! Artichoco, dat lust ik keigraag!’

13 september 2009

A shitty story

Onno (3,5 jr) heeft een behoorlijk grote woordenschat. Niettemin heb ik de indruk dat hij pakweg een halfjaar geleden meer dieren wist te benoemen. Tijd voor een testje. Ik haal bij het slapengaan een oud boek boven en probeer het aan de man te brengen. Het eerste prentje is gelukkig gewoon een egel, maar hij heeft snel door dat ik hem de les wil opvragen. Daar heeft hij geen zin in. Hij benoemt het hert als ‘kaka’, de vos heet ook ‘kaka’ en dat geldt ook voor de uil, de geit en het everzwijn. Ik knik goedkeurend. ‘Dat jij dat allemaal weet, zeg! Knap, hoor.’ Onno kijkt niets begrijpend.

Ik draai het blad om. Daar staan insecten. Ik herinner me dat hij kort na zijn tweede verjaardag al wist welke de libel was. Deze keer zijn alle insecten ‘kaka’s’. Ik prijs Onno om zijn kennis. Hij kijkt me aan alsof hij net een ufo heeft gezien. Geen zekerheden meer in het leven.

 ‘Jij moet een écht verhaaltje lezen,’ gebiedt hij ietwat misnoegd.

‘Vanavond pak ik geen boek voor je,’ zeg ik, ‘ik ga zelf een verhaal vertellen, vind je dat goed?’

 Onno vindt het best. Ik haal adem.

 ‘Er was eens een kaka-ventje. Dat kaka-ventje ging naar een kaka-school.’

 Onno glimlacht breed.

 ‘In die school zaten al de kaka-vriendjes van het kaka-ventje. En weet je wat? Dat kaka-ventje had ook een kaka-juf. Toen ze al een tijdje kaka-spelletjes hadden gespeeld mochten de kaka-kindjes op de kaka-speelplaats gaan spelen. Maar wat merkten ze toen?!’

 Ik kijk vragend naar Onno. ‘Weet jij het?’

Onno beweegt zijn hoofdje van links naar rechts op zijn kussen. Zijn ogen zijn groot.

 ‘Wel. Op die kaka-speelplaats was het niet zo leuk, want het rook daar niet lekker. Wat zeg ik? Het stonk daar zelfs behoorlijk! Heel de speelplaats rook naar kaka. Dat vonden die kaka-kindjes niet leuk. Want zo konden ze niet fijn spelen. Ze gingen het vertellen aan de kaka-juf. De kaka-juf wist wel wat gedaan. Die zei: ‘als jullie nu eens allemaal héél flink waren en alleen kaka zouden zeggen als jullie kaka moeten doen. Dan zou de wereld alweer een beetje mooier zijn.’ Dat vonden de kaka-kindjes een héél goed plan. Tevreden gingen de kindjes (dus niet de kaka-kindjes) naar huis (dus niet hun kaka-huis) en alleen maar als ze een grote boodschap moesten doen zeiden ze nog een keer ‘kaka’ maar anders nooit meer. En van toen af rook de speelplaats van hun school naar heerlijke bloemetjes, vers gemaaid gras en lindebomen…’

Onno verroert zich niet.

 ‘Zo,’ Ik leg mijn handen als een dichtgeklapt boek in mijn schoot. ‘Dat was het verhaal. Vond je het mooi?’

 Hij knikt en ik krijg een hele dikke knuffel.

13 september 2009

Vliegend vuur

‘En toen vlogen er allemaal keuteltjes van vuur.’

(Onno (3,5 jr) vertelt aan zijn grootouders dat hij de buurman zag lassen)